Voorbeeld beschrijving Naja kaouthia (Suphan)

ks Voorbeeld beschrijving Naja kaouthia (Suphan)Aangezien ik zelf vijf dieren van deze soort heb welke alle vijf van de Suphan-variant zijn, vind ik het leuk om dieper in te gaan op de publicatie van Wolfgang Wüster et.al. (1995) waarin onder andere deze dieren besproken worden. Zo kan ik een duidelijk beeld vormen van hoe een dier met een andere kleur en ander patroon dan de meeste van zijn soortgenoten toch geen (onder)soortstatus hoeft te krijgen. Een mooie gelegenheid om wat dieper in te gaan op morfologisch en DNA onderzoek m.b.t. taxonomie. Beide methodes worden namelijk gebruikt. Ik zal de in het algemeen veel voorkomende punten bespreken. In het artikel (zie bron) worden in de introductie de morfologische kenmerken van deze dieren aangegeven. Het verschil zit hem uiteraard in de kleur welke naar geel neigt en daarnaast hebben veel exemplaren geen patroon. Deze dieren hadden tot dan toe buiten Thailand, waar het door Nutaphand een ondersoortstatus kreeg toegeschreven (Naja kaouthia suphanensis), in de literatuur nog weinig aandacht gekregen. Exemplaren met bovenstaande kenmerken komen voor in de volgende provincies van Thailand: Suphan Buri, Ayutthaya, Ang Thong, Sing Buri en Ratchaburi. Uitgelegd word dat het analyseren van de relatie tussen populaties, puur gebasseerd op morfologische kenmerken een onnauwkeurige methode is en dat daar twee redenen voor zijn. Allereerst wordt er gesproken van het feit dat verschillen in uiterlijk het resultaat kunnen zijn van zowel “phylogenesis” als “ecogenesis”. Phylogenesis zegt wat over evolutionaire ontwikkeling en “ecogenesis” is een aanpassing op ecologische omstandigheden waar minder tijd voor nodig is.

Door mitochondriaal DNA materiaal te vergelijken kan men phylogenetische overeenkomsten blootleggen die door het uiterlijk verdoezeld worden als je puur naar de morfologie kijkt. Er wordt vervolgens nog dieper ingegaan op de reden waarom men kiest voor een combinatie van DNA onderzoek en morfologisch onderzoek.

Het is namelijk niet altijd even makkelijk om aan meerdere exemplaren van soorten te komen. Vaak staan er wel dieren op sterk water bij musea of dierentuinen maar omdat voor het bewaren van reptielen in alcohol de dieren vaak eerst worden behandeld met formaline levert dat niet altijd succes op. Werken met levende exemplaren is simpelweg onmogelijk dus men heeft al snel te maken met wetgevingen waar wetenschappers zich aan moeten houden. In dat opzicht is het vergelijken van het uiterlijk aan de van dieren die in musea op sterk water staan en dergelijke een methode die altijd bruikbaar zal blijven. Echter, in veel gevallen kan DNA onderzoek onder een handjevol exemplaren van 1 soort al taxonomische zekerheid geven die morfologisch onderzoek niet kan geven. Een combinatie van de twee vormen van onderzoek wordt daarom door de auteurs als beste optie gezien.

Na de introductie gaat men in op de methodes die gebruikt zijn om het onderzoek uit te voeren. Hier begint de ellende eigenlijk pas echt wat betreft de abacadabra die je om de oren vliegt. Allereerst gaat men in op de morfologische kenmerken die men vergeleken heeft. Deze zijn aangegeven in een lijst met 45 kenmerken. Denk hierbij aan lichaamsproporties, schubben en interne anatomie. in totaal zijn er hiervoor 263 slangen gebruikt.

Daarnaast spreekt men van het vergelijken van het “cytochrome oxidase subunit I (CO I)” gen van verschillende exemplaren, wat in die tijd nog niet vaak gebruikt was (dat specifieke gen) maar wel succesvol was gebleken. Tja daar zit je dan met je gen, en nu? Persoonlijk interesseert dat gen me helemaal niet zoveel. De naam van het gen ook niet. Alles wat ik hoef te weten is dat dat gen gewoon 1 van de vele genen is die men in het mitochondriaal DNA kan aantreffen en zolang ze bij beide dieren hetzelfde gen nemen om met elkaar te vergelijken is het goed. Op dezelfde manier kan men spreken van ” the D-loop region”, ND2 of Chytochroom B. Allemaal genen die gebruikt kunnen worden voor phylogenetische analyse. Vervolgens komt het volgende euvel. Er word gesproken van OTU’s of Operational Taxonomical Units.
Probleem bij het vergelijken van DNA materiaal van een bepaalde groep slangen is dat de monster vaak van dieren komen die van her en der wegkomen en verzameld zijn bij verzamelaars, musea, dierentuinen etc.

Het is belangrijk om groepen te maken van monsters die bij elkaar horen en waar niet per ongeluk twee taxa in verborgen kunnen zitten. Vandaar dat de monsters binnen een OTU eerst vergeleken worden met een Principal Component Analyse (PCA). Weer zo’n term maar niks meer dan een statistisch handeling om data te vergelijken.
Zitten er tussen die dieren binnen een OTU geen noemenswaardige verschillen dan kan men de data van de OTU’s vergelijken. In dit onderzoek bestonden de OTU’s uit exemplaren van Naja kaouthia, Naja siamensis, Naja atra en Naja’exemplaren van de Andaman eilanden. Bij Naja kaouthia heeft men in dit geval monsters van dieren met het typische patroon op de hood in een andere OTU gezet als de dieren met het uiterlijk van wat toen Naja kaouthia suphanensis heette.

Nog een methode die genoemd word is Canonical Variate Analyses (CVA). Een manier van analyseren van morfologische gegegevens die wederom voor de gemiddelde hobbyist veel te diep gaat (voor mij wel in ieder geval). Men moet nu eenmaal precies tot in de puntjes uitleggen waar een conclusie op gebaseerd is. Het enige wat wel interessant is om te weten is dat met deze methode rekening word gehouden met verschillen binnen populaties die normaal zijn om aan te treffen, wat het de ideale methode maakt om verschillen tussen populaties uit te zoeken en dat er in het onderzoek 3 CVA’s zijn uitgevoerd. We gaan verder naar de resultaten. De resultaten van het CVA’s geven geen verschillen weer tussen “normale” en ” Suphan” exemplaren van zowel vrouwelijke als mannelijke exemplaren beide vormen van Naja kaouthia.
Dit is te zien in tabellen en er valt verder weinig over te zeggen. Hetzelfde geld voor de uitslag van het DNA onderzoek die simpelweg uitwijst dat er geen verschillen tussen de “sequences” van de “Suphans” en de “normale” Naja kaouthia

In the conclusie krijgen we dan nog een leuk verhaal om af te sluiten; De status van Naja kaouthia suphanensis (Nutaphand 1986) is verduidelijkt zo luid de conclusie. De 3 CVA’s laten dat zien maar vanwege het geringe aantal exemplaren wat men voor het onderzoek heeft kunnen vergelijken sluit dit nog niks uit. Het zijn immers morfologische gegevens die per dier kunnen verschillen. DNA zegt iets over veel meer dieren. Echter de vergelijking op basis van het CO1 gen heeft ook geen verschillen opgeleverd. Omdat Naja kaouthia suphanensis en typische Naja kaouthia sympriatisch zijn aan elkaar en dus in hetzelfde gebied voorkomen is een ondersoortstatus sowieso niet gepast. Aangezien zowel het morfologisch onderzoek als het DNA onderzoek geen relevante verschillen heeft aangetoond tussen Naja kaouthia suphanensis en “typische” Naja kaouthia kan men spreken van bewijs dat er geen evolutionair verschil van oorsprong is. Vandaar dat men de keuze heeft gemaakt om Naja kaouthia suphanensis en Naja kaouthia formeel samen te voegen. Het is wel leuk om te vermelden dat aan de hand van dit ook onderzoek gebleken is dat er zowel morfologische als genetische verschillen te vinden zijn tussen Naja’s op de Andaman eilanden en Naja’s op het vaste land waardoor deze dieren een soortstatus hebben gekregen en nu al weer relatief lange tijd bekend staan als Naja sagatifera.

Bron:
W.WÜSTER, R.S. THORPE, M.J.COX. P.JINTAKUNE & j. NABHITABHATA (1995) Population systematics of the snake genus Naja (Reptilia: Serpentes: Elapidae) in Indochina:
Multivariate morphometrics and comparative mitochondrial DNA sequencing (cytochrome oxidase)

Jelmer Groen

· Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,